Prosper De Bruyn – De spoorwegman die een syndicaal huis bouwde
Er zijn in de geschiedenis van onze vakbondsbeweging van die figuren die niet alleen leiding geven, maar ook een indrukwekkende syndicale voetafdruk nalaten. Mannen en vrouwen die in hun tijd al wisten wat wij vandaag bijna vanzelfsprekend vinden: dat solidariteit geen slogan is, maar een voortdurende beweging van strijd en overtuiging. Eén van die figuren is zonder twijfel Prosper De Bruyn (1885–1955), Denderleeuwenaar, spoorwegman, syndicalist, parlementair en bovenal: een bouwmeester van een syndicaal huis – én sociale strijd.
ACOD Spoor ging op onderzoek en sprak met Rudy De Leeuw, voormalig voorzitter ABVV en als Denderleeuwenaar Prosper-kenner, én Georges Couck die Prosper als kind persoonlijk heeft gekend. Het verhaal van Prosper De Bruyn is als een film, mét cliffhangers en meeslepende verhalen waarin herkenbare personages ons helemaal meetrekken in een tijd die tegelijk veraf lijkt en toch verbazend actueel aanvoelt.

Een wissel tussen het Daensisme en het Spoor
Prosper werd geboren op 26 augustus 1885, als achtste kind in een arm spoorweggezin. Thuis waren ze overtuigd Daensist, niet uit religieuze romantiek maar uit noodzaak. Zijn vader, Judocus, was spoorarbeider, en zijn oudere broer Karel-Lodewijk zou nog dienstdoend burgemeester en eerste schepen van Denderleeuw worden. Vlak na zijn geboorte overleed zijn moeder. Grote zus Celestine nam de huishoudelijke rol over. Het engagement zat vroeg in het bloed: opgroeien in een groot gezin waar elke frank telde, is vaak de beste leerschool voor een leven in sociale strijd.
Na zijn studies aan de Rijksmiddelbare School van Ninove trad Prosper in 1904 in dienst bij de Belgische spoorwegen. Zoals zovelen bij het spoor begon hij onderaan de ladder, als treinwachter, pendelend tussen verschillende depots in Brussel-Noord, Antwerpen, Dendermonde, Aalst, en later Ronet en Virton als diensdoende hoofd-treinwachter. In april 1914 werd hij overgeplaatst naar Schaarbeek. Wat hij onderweg oppikte, was van onschatbare waarde: de werkomstandigheden, het gescheiden houden van de verschillende beroepsgroepen, de onmacht van de spoorwegman of -vrouw die alleen stond tegenover een gigantisch directie- en staatsapparaat.

De kiem van een nationaal syndicaat
Het was in die jaren dat Prosper het inzicht kreeg dat onze kracht niet lag in de versnippering per beroep, maar in een éénheid van al het spoor- en overheidspersoneel. In de vriendenkring van treinwachters werd hij snel een van de trekkers. Hij zag het van dichtbij: Machinisten (treinbestuurders) hadden hun eigen vereniging, treinwachters de hunne, stationsbedienden weer een andere. U leest het al, veel verenigingen, maar zonder daadkracht en samenhorigheid wanneer het nodig was. Prosper ging dat veranderen.
In de woelige beginjaren van de Eerste Wereldoorlog waagde hij wat anderen niet durfden: clandestiene acties opzetten voor de uitbetaling van het spoorwegpersoneel, in overleg met de Belgische regering in ballingschap in Le Havre. En op 1 mei 1917 zette hij zijn levenswerk in gang: de oprichting van het Nationaal Syndicaat van spoor-, post-, telegraaf-, telefoon- en zeewezenpersoneel, de voorloper van wat later de ACOD zou worden.
Prosper werd de eerste nationaal secretaris. Vanop de fiets, per trein, te voet, doorkruiste hij het land om afdelingen op te richten — ook in de streng bewaakte gebieden van de Duitse bezetter. Hij zorgde voor ondergrondse contacten in Frankrijk en Nederland, en zette samen met kameraden een netwerk op om saboteurs te ondersteunen en werkweigering aan te moedigen.
Dat soort activiteiten bleven helaas niet onopgemerkt. Op 3 oktober 1918 werd hij door de Duitse bezetter gearresteerd en ter dood veroordeeld wegens spionage. Hij werd opgesloten in de Citadel van Namen. De executie stond gepland, maar de Wapenstilstand redde daags (!) voordien zijn leven. Het tekent de man: op cruciale momenten stond hij niet op de tribune, maar in de vuurlinie. Letterlijk.

De syndicale strijd tussen beide wereldoorlogen
Na de oorlog werd Prosper één van de speerpunten van het Nationaal Syndicaat. Onder zijn impuls kwam in 1923 de eerste nationale staking van spoor en PTT tot stand. Het antwoord van de liberale minister Neujean was keihard: Prosper en 216 militanten werden koudweg op straat gezet. Drie jaar lang bleef hij geschorst — een offer dat velen zouden schuwen, maar dat Prosper droeg met de waardigheid van iemand die weet dat de strijd groter is dan één loopbaan. In 1926 werd hij opnieuw in dienst genomen door de socialistische minister Edward Anseele.
Datzelfde jaar werd de NMBS opgericht, en opnieuw stond Prosper in de frontlinie: hij verdedigde het personeel, verzette zich tegen willekeur en werkte mee aan de totstandkoming van het eerste statuut van het spoorwegpersoneel. Het fundament waarop latere generaties mochten bouwen en die we tot op de dag vandaag verdedigen.
In 1936 verkoos het congres hem unaniem tot algemeen voorzitter van het Nationaal Syndicaat. Hij droeg die verantwoordelijkheid tot de Duitse bezetting in 1940.
Prosper was, net als zijn broer, ook actief in de gemeentepolitiek. In 1932 doorbrak hij als lijsttrekker van de socialisten in Denderleeuw voor het eerst de meerderheid van de Daensisten tijdens de gemeenteraadsverkiezingen. Zijn invloed reikte toen al verder dan het spoor: Edward Anseele en Camille Huysmans kwamen graag naar Denderleeuw om bij Prosper op de koffie te gaan. Dat zegt veel — over zijn persoonlijkheid, zijn gezag en de rol die hij in de lokale én nationale socialistische beweging speelde.

Principes in tijden van gevaar
Toen België opnieuw bezet werd, weigerde Prosper elke samenwerking met de Duitse autoriteiten. Ondanks intimidaties bleef hij actief in de ondergrondse structuren van de socialistische beweging, samen met figuren als Edward Anseele en Léon Delsinne (journalist, vlak na de oorlog was hij van 1944 tot 1945 als extraparlementair minister van Bevoorrading).
In 1942 stichtte hij mee het Algemeen Syndicaat van de Openbare Diensten (ASOD), de clandestiene voorloper van de huidige ACOD. Hij werd voorzitter, al kon niemand zijn naam vermelden: dat was te gevaarlijk. Prosper werd trouwens van dichtbij geschaduwd door de Duitsers maar vond toch een manier om de uitzendingen van de BBC te beluisteren. Enkele weken voor de bevrijding moest hij echter opnieuw onderduiken.
In 1945 werd Prosper De Bruyn gevraagd als nationaal voorzitter van de Algemene Centrale der Openbare Diensten (ACOD), maar hij weigerde deze functie omwille van zijn verantwoordelijkheden als politiek verkozene.
De politicus die de arbeider nooit vergat
Moedig tijdens de bezetting, koppig aan de onderhandelingstafel, stevig in het parlement: Prosper De Bruyn combineerde vakbondswerk met politiek engagement.
Hij vertegenwoordigde het arrondissement Aalst:
- 1925–1929: Volksvertegenwoordiger
- 1929–1936: Senator (gecoöpteerd)
- 1936–1954: Opnieuw volksvertegenwoordiger
In die jaren stortte hij zich op dossiers die tot op vandaag onze syndicale strijd bepalen: arbeidswetgeving, sociale zekerheid, transport, PTT. Zijn wetsvoorstellen rond betaalde vakantie voor bedienden en zijn werk in de Transportcommissie als ondervoorzitter getuigen zijn drang naar rechtvaardigheid en vooruitgang. Lokaal was hij actief in de Denderleeuwse gemeenteraad (1946–1955), midden in de gemeenschap waar hij was opgegroeid, en die hij nooit de rug toekeerde.
Meer dan vakbond en politiek: een bouwer van gemeenschap
Hij begreep wat elke vakbondsman weet: dat een sterke arbeidersbeweging niet alleen leeft in stakingen en onderhandelingen, maar ook in muziek, cultuur, ontmoeting, vorming. Zo was hij oprichter en voorzitter van de lokale BWP-afdeling (Belgische Werkliedenpartij), voorzitter van de mutualiteit Bond Moyson en de poliklinieken De Toekomst, drijvende kracht achter de coöperatie Achturenhuis (zowel in Brussel als in Denderleeuw), stichter van de socialistische fanfare De Werker, bezieler van toneelkring Hoger Op, beheerder van de Rijksmiddelbare School in Denderleeuw, en voorzitter van de vriendenkring van diezelfde school… En dit in tijden zonder digitale planner!
Het laatste hoofdstuk
Zijn gezondheid ging achteruit door de ziekte van Parkinson, maar hij bleef actief tot het niet meer kon. Prosper De Bruyn overleed in Denderleeuw op 25 november 1955, 70 jaar oud. Een grote menigte woonde zijn uitvaart bij, samen met de socialistische voormannen van die tijd. Hij kreeg de Franse Croix de guerre, De Nederlandse Herinneringsmedaille en was Commandeur in de Leopoldsorde, maar belangrijker: hij kreeg het respect van duizenden arbeiders die wisten wat hij voor hen had betekend.
In 1959 werd nabij het station van Denderleeuw een monument voor hem opgericht — op de plek waar destijds zoveel spoorwegmensen – Denderleeuw was een spoorwegnest – hun weg begonnen, en waar Prosper zijn levenslange strijd voor waardigheid en rechtvaardigheid startte.

De erfenis van Prosper De Bruyn
Wanneer we vandaag spreken over syndicale eenheid, over openbare diensten als ruggengraat van de democratie, over de ACOD als een strijdbare en solidaire organisatie, dan is dat niet uit het niets gekomen. De fundamenten ervan werden gelegd door mensen zoals Prosper De Bruyn.
Hij was een man van het spoor, maar ook van naast het spoor. Een man van zijn tijd, maar vooral een man vóór zijn tijd. Iemand die geloofde dat arbeiders niet alleen betere lonen verdienen, maar ook respect, cultuur, gemeenschap en waardigheid.
Zijn verhaal is niet zomaar een geschiedenisles. Het is een tastbare herinnering aan wat mogelijk is wanneer één spoorwegman besluit dat hij zich niet neerlegt bij onmacht – en daar een hele sociale beweging mee in gang zet.
Günther Blauwens, Joris Fauconnier